Hersentumor: Prognose

Verloop van de ziekte

Meestal geven we een prognose op basis van het soort en de graad van de tumor, en dat zijn inderdaad belangrijke factoren voor de prognose van een individuele patiënt. De diagnose van de tumor is vandaag de dag meestal gebaseerd op een analyse van de chromosomale veranderingen in de tumor, zodat de definitieve diagnose soms één tot twee weken op zich laat wachten. Die ‘moleculaire’ of DNA-diagnose vertelt vaak ook veel over de gevoeligheid van de tumor voor onze behandelingen.

Andere factoren zijn echter ook van veel belang, zoals de leeftijd van de patiënt en de conditie waarin hij verkeert. Vooral voor graad IV tumoren geldt: hoe jonger de patiënt en hoe beter zijn conditie, des te beter zijn prognose. Deze invloed van leeftijd geldt overigens voor tumoren bij volwassenen; bij kinderen en jongvolwassenen spelen hele andere factoren. Daarnaast is bij de zogenaamde laaggradige hersentumoren de grootte van de tumor van wezenlijk belang en hoeveel de neurochirurg heeft kunnen weghalen.

Toch is een relativerende opmerking hier op zijn plaats. Als een arts een uitspraak doet over 'de overleving' bedoelt hij meestal de gemiddelde overleving. Dat zegt eigenlijk maar weinig: 50% van de patiënten leeft langer dan dat gemiddelde en 50% leeft korter. Doorgaans worden dat soort cijfers gehaald uit grote series patiënten die op een bepaalde manier behandeld zijn. Hoewel die series veel informatie geven, zijn die toch maar beperkt toepasbaar op een individuele patiënt. Ook de analyse van die grote series verklaart in het algemeen maar een derde van de variatie in overleving bij hersentumorpatiënten.

Vaak is daarom een cijfer dat in het algemeen vertelt hoeveel procent van de patiënten na een bepaald aantal jaren nog in leven is voor een individuele patiënt veel informatiever. Een paar voorbeelden: van de graad IV oftewel glioblastoom-patiënten onder de 70 jaar die behandeld worden met gecombineerde chemoradiotherapie is na twee jaar nog 25% in leven. Hierbij is ook de MGMT-status belangrijk. Van graad II (laaggradige) en graad III (anaplastische) oligodendroglioom patiënten met gecombineerd 1p/19q verlies, die met radiotherapie en PCV-chemotherapie worden behandeld, is na 12 tot 14 jaar nog zo’n 50% in leven. Van de patiënten met een graad II astrocytoom met een zogenaamde mutatie in het IDH gen is na 10 tot 14 jaar 50% nog in leven.

Eén ding is echter zeker: een dokter kan nooit zeggen hoe lang iemand nog zal leven. Die onzekerheid is één van de vele onaangename aspecten van deze ziekte.